Meesterwerk
je bent geen meester
en dit is geen werk
maar lees en luister
creëer en je merkt
je bent al de ster
van je levenswerk
je bent geen meester
en dit is geen werk
maar lees en luister
creëer en je merkt
je bent al de ster
van je levenswerk
’t is hoe ik je bemin
je bent een afbreking
en mijn handtekening
eindrijm aan ’t begin
de hoofdletter voorin
het wit ertussenin
de punt na elke zin
je ziet ’t evenmin
ga er maar tegenin
noem ’t onzin
waanzin
zeg dat ik ’t verzin
desalniettemin
zit je overal in
tijdens
ik hou van
verloor ik je
ik hoop dat zij het ook ziet
en dan over je schrijft
zoals ik deed, ooit
je bent mooi
als poëzie
we zullen gieren
temmen de dieren
balanceren het leven
goochelen bedreven
jongleren we lessen
hoe messen te werpen
hoe vuur te spuwen
we zijn de clowns
die we verafschuwen
we zijn dol op gebakken lucht
dus we verzamelen hartjes
uit gemak- en vraatzucht
je blijft me omringen
terwijl ik je happig in- en uitadem
en in kringelende wolkjes drijf je
tegen je glibberende spiegelbeeld
de afzuiging zuigt niet
of juist wel – taal is ingewikkeld
ik bevrijd je met ongezonde weerzin
uit mijn verstikkende longen
ik breng ons zo zonder meer
minder dan met ridicuul gezoek
naar je zuurstofmoleculen
die ik slik als koek met zoetstof
dus glijd ik onder de zeespiegel
waar grijs water aantrekkelijk lijkt
kleine luchtbellen knappen
tegen de oppervlakte
maar ik ben knapper
niet oppervlakkig
maar haast nog rimpellozer
en voel mij vaak toch schoner
want ik spoel mijn mond
met bellenblaas
hier raas ik mijn woede eruit
en de goederentrein komt er al aan
als storm achter de oceaanwand
met nood aan adem en handrem
ik ben te diep gezonken
maar niet eerder verdronken
je kunt jezelf niet verdrinken
lispelt oma’s tong in de koelkast
maar de mijne staat er vast
minder dubbel in
zeewier versiert mijn porem
als een scheepswrak op de bodem
en ook hier stoort het me enorm
dat ik wederom naar je snak
je liefde herhaalt zich
opnieuw en opnieuw
je komt en je gaat
me vervelen
je smeekbede
drijft me tot wanhoop
mijn satijngeweven deken
van wekenlange wijsheid
glijdt langs mijn schouders
tot een hoopje uitverkoop
klauw je hebzucht in m’n zij
en bijt je trouw vast in mij
zodat als ik onze verhalen mis
en de betekenis van ’t verleden is
ik kan herlezen wat we bedoelden
toen alle woorden leeg voelden
maar onze lichamen spraken
in vergankelijke talen
die we ter plekke bedachten
in gesprekken van gekte
over onmacht en zwakte
toen we onze harten deelden
op het onhoudbare ritme
dat ons parten speelde